|
Hieronder vindt u informatie over enkele grotere gemeenten in het Belgisch-Limburgse grensgebied met Sittard-Geleen. Het betreft hier de gemeenten: Dilsen-Stokkem, Genk, Lanaken, Maaseik en Maasmechelen.
Dilsen-Stokkem is een stad en gemeente in de Belgische provincie Limburg. De stad telt ruim 19.000 inwoners. Dilsen-Stokkem ligt in het oosten van de provincie, tegen de Nederlandse grens, die wordt gevormd door de rivier de Maas. Het gemeentehuis staat in de centrale kern Dilsen. De fusiegemeente kwam tot stand na samenvoeging van de deelgemeenten Dilsen, Stokkem, Lanklaar, Elen en Rotem.
Bron: Wikipedia
Genk is een stad in de Belgische provincie Limburg. De stad telt ruim 64.000 inwoners en is een van de belangrijkste industriële steden van Vlaanderen. Dit, in het verleden met name door de aanwezigheid van drie steenkoolmijnen en tegenwoordig door haar ligging aan de autosnelweg E314 en het Albertkanaal. Genk verwierf pas in het jaar 2000 de titel van stad. Het grenst in het zuid-westen aan Hasselt.
Genk is ontstaan uit een Keltische nederzetting. Dit leren ons de vondsten van verschillende gebruiksvoorwerpen. Het dorp werd gekerstend in de vroege Middeleeuwen. Uit deze tijd werd een houten zaalkerkje teruggevonden. De naam Genk wordt voor het eerst vermeld in een schenkingsakte van 13 december 1108 ("Geneche"). Genk bleef bijna 800 jaren lang een landelijk gehucht of dorpje (in het Latijn: "vicus") met om en bij de 200 à 500 inwoners, pas begin 20e eeuw begon de massale immigratie van buitenaf (en buitenland) op gang te komen. De rust en het onaangeroerde landschap zorgden ervoor dat verschillende kunstenaars, vooral landschapschilders waaronder Willem Roelofs, Edmond Tschaggeny, François Roffiaen, Isidore Verheyden, Joseph Coosemans, Anna Boch, Emile Van Doren, Armand Maclot en vele anderen naar het dorpje afzakten. Er wordt dan ook gesproken van een zogenaamde Genkse school. Ook de Nederlandse schrijfster Neel Doff vond een onderdak in de gemeente (de villa, Chalet des Houx, lag op een heuvel in de Nieuwstraat, ze werd intussen afgebroken). Op 20 mei 1901 ontdekte de Leuvense professor André Dumont in het buurdorp As een steenkoollaag, een gebeurtenis die een immense invloed zou hebben op het slaperige dorpje. In 1902 vond men ook in Genk steenkool. Op 3 juni 1914 om half twee 's middags werd de eerste steenkool bovengehaald. Niet lang daarna opende de mijn van Winterslag en even later de mijnen van Waterschei en Zwartberg. In 1930 telde de gemeente reeds 24.574 inwoners, vooral ingeweken mijnarbeiders. De jaren zestig waren crisisjaren voor de steenkoolnijverheid. In 1966 werd de mijn van Zwartberg gesloten. Dankzij de gunstige ligging, tegen Hasselt, en langs het Albertkanaal vestigden enkele grote bedrijven zich in de gemeente, zoals de autoconstructeur Ford. In de jaren 80 sloten ook de twee overgebleven mijnen.
Genk kende door het mijnverleden verschillende immigratiegolven (eerst uit Polen en Oekraïne, daarna uit Italië en nog later uit Turkije en Marokko). Hierdoor is ongeveer een derde van de burgers van allochtone afkomst. De Italiaanse gemeenschap is de grootste en omvat zowat 10.000 personen. In Genk zijn in totaal zo'n 85 verschillende nationaliteiten terug te vinden. Dit alles maakt van Genk een multiculturele stad. De meeste Genkenaren zijn daarmee opgegroeid en hebben hier weinig problemen mee. Inwoners van vooral gemeenten zonder mijnverleden bekijken het negatiever en praten over Genk als migrantenstad. Uit een enquête in 2000 bleek echter dat vele Genkenaren dat standpunt niet deelden. Het multiculturele karakter van Genk kan men ook in religieuze gebouwen zien: Genk telt vier Turkse moskeeën, een Marokkaanse moskee, een Oekraïens-Orthodoxe kerk, een Oekraïens-Katholieke kerk en een Grieks-Orthodoxe kerk.
Inmiddels is Genk uitgegroeid tot de derde industriestad van Vlaanderen en heeft de stad het grootste industriepark van Limburg, namelijk Genk-Zuid. Dit park heeft een oppervlakte van 15,87 km² waarvan het grootste gedeelte in Genk ligt met uitlopers in de aangrenzende gemeenten Bilzen, Diepenbeek en Zutendaal. Enkele bekenden bedrijven zijn onder andere Ford, Nitto, Ugine & ALZ (Arcelor), DSM en Elektriciteitscentrale Langerlo. Met ruim 25.000 industriële arbeidsplaatsen (op een totaal van 40.000) in meer dan 300 bedrijven is Genk inmiddels de belangrijkste werkverschaffende gemeente van Limburg in de industrie. De vroegere steenkoolhaven van Genk, nu 'haven Genk', groeit snel. Er is onlangs een nieuw hoofdkwartier gebouwd en de overslag neemt toe. Na de mijnsluitingen gingen de activiteiten van de haven achteruit, maar door de grote industriële bedrijvigheid in de omgeving nemen de havenactiviteiten opnieuw toe. Daarnaast maakt Genk deel uit van het Economisch Netwerk Albertkanaal.
Bron: Wikipedia
Lanaken is een plaats en een gemeente in de provincie Limburg in België. De gemeente telt een kleine 25.000 inwoners. Zij omvat de woonkernen Kesselt, Gellik, Smeermaas, Neerharen, Veldwezelt, Lanaken, Rekem en het Gellikse gehucht Briegden.
Het kasteel van Pietersheim en de aanpalende burchtruïne behoren tot de meest bezienswaardige historische gebouwen van de gemeente. Van de voormalige cisterciënzer abdij van Hocht resten in een ommuurd domein van ruim 9 ha nog enkele opmerkelijke gebouwen. De oude stadskern Oud-Rekem n de deelgemeente Rekem is verkozen tot het mooiste dorp van Vlaanderen. Hier bevindt zich ook het kasteel d'Aspremont-Lynden. Een deel van het Nationaal Park Hoge Kempen ligt op het grondgebied van Lanaken. Sinds 2006 is Domein Pietersheim één van de zes toegangspoorten van het Nationaal Park Hoge Kempen. Ook de archeologische- en leemafgraving Veldwezelt-Hezerwater ligt in deze gemeente.
Bron: Wikipedia
Algemeen wordt aanvaard dat de geschiedenis van Maaseik begint te Aldeneik (oude Eycke). Het oudste, bekende, religieuze verhaal is dat van de heiligen Harlindis en Relindis. Het dateert van omstreeks 700. De Frankische edelman Adelhard, een grootgrondbezitter, bouwde een klooster met een houten kerkje voor zijn dochters. Dit klooster, dat gelegen was nabij de Maas, oefende weldra grote aantrekkingskracht uit op de omgeving. Rond dit religieuze centrum kwamen mensen wonen en zo ontstond het oude 'Eycke'.
Het vrouwenklooster van Aldeneik werd verwoest door de Noormannen. Om te voorkomen dat de goederen van de voormalige abdij bij de allodiale goederen van de plaatselijke heren zou gevoegd worden, schonk keizer Otto I omstreeks 950 alle bezittingen van het klooster aan de Luikse bisschop die er een kapittel van kanunniken van maakte.
Ten zuidwesten van Eycke ontstond een nieuwe nederzetting, die zo snel aangroeide, dat ze in 1244 een aparte parochie werd. Omdat de ligging strategisch zo belangrijk was, werd er een versterking rond gebouwd. Zo ontstond de nova villa, Nieuw-Eyck (Maaseik). De graaf van Loon bezat nabij de Bospoort een woon- en verdedigingstoren, van waaruit in het binnen van de 13de eeuw een nieuwe versterking groeide, die met stadsrechten werden geprivilegieerd. De stad werd omringd met grachten en wallen en de inwoners werden voortaan 'burgenses' genoemd. Later verrees een muur op de aarden wal, met hier en daar een versterkte toren. In 1467, na een opstand tegen de prins-bisschop liet de Bourgondische hertog, Karel de Stoute, de stadsversterkingen en de burcht slopen.
In de 16de eeuw werd de vesting opnieuw opgetrokken: de wallen kregen een breedte van 40 voet (11,14 meter). Op het einde van de 17de eeuw werd Maaseik versterkt door de Fransen volgens het stelsel van de vestingbouwkundige Vauban. Bij hun aftocht echter, in 1675, werden de vestigingen gedeeltelijk vernield. Sindsdien werd er heel wat gesloopt: in 1815 werden de poorten verwijderd, in 1847 werden de wallen afgehoogd en in 1935 werden de Burgemeester Philipslaan en de Prinsenhoflaan aangelegd. De oude stadspoorten zijn nog aanwezig in de namen Bospoort, Eikerpoort of Roermondse Poort, de Bleumer- of Maaspoort, de Hepper- of Maastrichterpoort.
De parochiekerk van Maaseik was de voornaamste kerk van het landdekenaat Eyck dat 47 parochies telde. Maaseik, dat toegewijd was aan de H. Catharina, bleef lange tijd afhankelijk van het Kollegiale Kapittel van Onze-Lieve-Vrouw van Aldeneik, dat in 1571, omwille van de onrustige tijden, naar Maaseik verhuisde. Aan de vooravond van de Franse Revolutie waren er in Maaseik stichtingen van zes religieuze orden: de Agneten, de Kruisheren, de Sepulchrinen van Kinrooi, de Minderbroeders, de Capucijnenen de Capucinessen. In de middeleeuwen waren er bovendien begijnen in de stad.
Maaseik was ook een handelscentrum. Midden op de Markt stond het gewanthuis, dat de lokalen bevatte van de Magistratuur, maar ook dienst deed als halle (lakens, vlas, vlaaes, vis,…) Omdat Maaseik aan de Maas lag, was er een druk verkeer met Luik en Maastricht. De vreemde schepen die de stad wilden passeren, waren verplicht een bepaalde tijd te meren en hun waren op de Markt te koop aan te bieden. Vooral op het einde van de 16de eeuw en het begin van de 17de eeuw kende de Maashandel een grote vlucht en verdienden de Maasschippers en de handelscompagnieën grote kapitalen. Onder meer door de vele oorlogen op het Luikse grondgebied raakte de Maashandel in de 17de eeuw echter in verval.
Maaseik was een bij uitstek cultureel centrum en dan vooral op het gebied van onderwijs. In 1400 telde Maaseik twee scholen: een kapittelschool en een stadsschool. De Kruisheren startten in de 17de eeuw met een kloosterschool die later een Latijnse school werd.
In de 19de eeuw was Maaseik een regionaal handelscentrum en verder een bestuurlijk, administratief en kerkelijk centrum. De industriële omwenteling ging echter aan Maaseik (zoals aan bijna geheel Limburg) voorbij. Tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef het uitzicht van de binnenstad dan ook haast ongewijzigd. Ze vertoonde een gesloten eenheid rond het centraal gelegen marktplein. De langgerekte zeshoek (400 x 700m), die de omtrek van de vroeger ommuurde stad uitmaakte, is thans zonder moeite na te gaan. De Markt in haar huidige vorm (106 x 95m) dateert uit de 18de eeuw. Toen na 1850 de eerste winkels met een etalage verschenen, werd in Maaseik de benedenverdieping van een aantal huizen omgebouwd tot een zakenpand.
In de 20ste eeuw heeft Maaseik ook een verzorgingsfunctie: onderwijs, ziekenhuis, bejaardenzorg, sociale woningen.
Bron: Wikipedia
Maasmechelen is een gemeente in de provincie Limburg in België. Maasmechelen is naast mijngemeente ook een grensgemeente. De gemeente telt ruim 36.500 inwoners, die Maasmechelaar worden genoemd. Het grootste deel van Maasmechelen ligt in de Maasvallei, op de linkeroever van de Grensmaas. Enkel de westelijke rand van de gemeente, aan de grens met Zutendaal en As, ligt op het Kempens Plateau. De overgang van de Maasvallei naar het Kempens Plateau is erg steil en vormt een trap van gemiddeld 45 meter. In Maasmechelen ligt deze steilrand bijna volledig in bos- en heidegebied. De gemeente bevat de woonkernen: Mechelen-aan-de-Maas, Vucht, Leut, Meeswijk, Uikhoven, Eisden, Opgrimbie, Boorsem en Kotem. Maasmechelen heeft een op- en afrit naar de autosnelweg E314, die Brussel en Leuven via Knooppunt Lummen en Knooppunt Kerensheide met Heerlen en Aken verbindt. De Rijksweg N78 is een bredere verkeersweg, parallel met de Grensmaas, die voor binnenschepen onbevaarbaar is. Daarom werd bijna 2 eeuwen geleden de Zuidwillemsvaart gegraven.
Steenkoolontginning Van 1923 tot 1987 werd in het noord-westen van deelgemeente Eisden door N.V. Steenkoolmijnen Limburg-Maas (opgericht in 1907 als S.A. Charbonnages Limbourg-Meuse) steenkool ontgonnen. Op een deel van het voormalige mijnterrein ligt vandaag Maasmechelen Village, een outlet-winkelstraat. Slechts enkele Eisdense mijngebouwen konden na 1987 van de slopershamer gered worden en kregen nieuwe functies: gemeentelijke academie, hotel, Grand Café, bioscoopzalen. De lifttorens boven de gedempte mijnschachten, waarvan er één werd gesloopt en meteen daarna weer is opgebouwd, zullen als monument bewaard blijven. In de heide en de bossen ten westen van de oude woonkernen van Eisden, Vucht, Mechelen en Opgrimbie werden grote woonwijken gebouwd, in het begin door de mijn zelf (tuinwijken), later door sociale bouwmaatschappijen. Eisden-Dorp, Leut en Meeswijk liggen in een mijnverzakkingsgebied, veroorzaakt door bodemdaling en inklinking na kolenwinning in de ondergrond. Er moet constant gepompt worden om te voorkomen dat grondwater het gebied onder water zou zetten. Er staan krachtige pompen in onder meer het Greven, een waterwingebied dat bijna 10 meter is gezakt, ten noorden van Eisden-Dorp en langs de (herhaaldelijk opgehoogde) dijken van de Zuidwillemsvaart. De grote hoeveelheid water uit het gebied heeft een dusdanige kwaliteit dat het als leidingwater gebruikt wordt voor een groot deel van de provincie Limburg. De mijn had bijna constant behoefte aan -ongeschoolde- werkkrachten en ging daarvoor ook buiten de landsgrenzen werven. Hierdoor komt het dat veel inwoners van Maasmechelen verschillende achtergronden hebben. Naast Nederlanders wonen er mensen uit Centraal- en Oost-Europa en uit landen rond de Middellandse Zee. De grootste groepen zijn Polen, Italianen en Turken. Maar er is bijvoorbeeld ook een Sloveens en Grieks verenigingsleven. Inmiddels zijn inwoners van "vreemde" komaf en hun (klein)kinderen meestal genaturaliseerd. Naar schatting de helft van de Maasmechelaars heeft één of meer buitenlandse roots.
Bron: Wikipedia
|